• sevvalsam175
  • Sevval Sam kreeg talent van haar moeder

    Sevval Sam erfde haar zangtalent van haar moeder, de beroemde zangeres Leman Sam. Hele generaties…

    MEER...

Nilgun Yerli

De appel valt soms ver van de boom

Nilgun YerliDe rook die uit de sigaret van de buschauffeur komt, stoort mij mateloos want ik zit net achter hem in de bus, maar durf er niets van te zeggen. Op zulke momenten vind ik mezelf het meest irritant, omdat ik het niet durf te zeggen. Mijn vriendin Ida die naast mij zit en voor het eerst in Turkije is, valt de rook niet eens op. Ze is in alle stilte aan het genieten van het uitzicht. “Wat heb je een mooi land” , zegt ze. “Het is ook jou land, het is toch onze wereld”, zeg ik. We zijn op weg naar Kirsehir, mijn geboortestad. “Waar ligt Kirsehir eigenlijk?” “Een klein plaatsje dichtbij Nevsehir”. “En waar ligt dat?” “Dat ligt in het gebied Capadokya, dat ligt een uur rijden van ons vandaan in Anatolie”, zeg ik.

Kirsehir was een stad wat net geen stad is, daar is het te klein voor. Een dorp dat net geen dorp is, daar is het te groot voor. Ik ben dus geboren in een plaats die wankelend tussen stad en dorp door het leven gaat. Gek genoeg merk ik dat ook in mijn zijn. Ik wankel tussen verlangens van stad naar dorp en andersom. In een stad hunker ik naar een dorp, in een dorp verlang ik naar een stad.

Al mijn jeugdherinneringen in dit plaatsje zijn gevuld met groen. De stad zoals ik het me herinner. Het huis waarin ik geboren ben en mijn eerste zes levensjaren heb geleefd, was omringd door een groene tuin met veel fruitbomen. Abrikozen, kersen, perzikken, pruimen en een appelboom, waarvan 1 grote appel op mijn hoofd was gevallen toen ik vier maanden oud was. Mijn moeder heeft die dag in de appelboom met een mes het volgende gegriefd: ‘Ooit lossen we op in de natuur’

Ik ben sinds die appel op mijn hoofd nooit meer hetzelfde geweest, volgens mijn moeder die er niet meer is, ben ik vanaf die dag een onrustig meisje geworden. Dat kan best kloppen, ik ben die onrust nooit kwijtgeraakt, maar of het echt aan die appel ligt, dat weet ik niet. Het huis had drie verdiepingen, limoentjes groen geschilderd met witte sier beschilderingen. En achter onze tuin lag een speeltuin. Met daarnaast een klein kerkje en een moskee. De huizen van twee geloven, vredig samen. En een bakker, met de warmste broodjes. Het plaatsje lag aan de voeten van de grote groene bergen, bergen waar we elke zondag gingen picknicken.

“jaa, picknicken, dat vind ik heerlijk”, zegt Ida.

Inmiddels haat ik picknicken net niet, maar het ligt er dicht tegenaan, al die mieren en zand en gras tussen je eten, en het zitten op de grond kunnen mijn benen niet verdragen. Het kan mij niet meer plezieren, wel jammer, want in mijn herinneringen is picknick iets heel echts, niet gekunsteld en samen met de natuur hand in hand. Tussen de bergen in, ligt het rode meer. Al begrijp ik niet waarom het zo heet terwijl de kleur van het water groen is. Smaragd groen. Helder en spiegel glad. Vogels hebben het hier zo lief. Ze zijn zo gelukkig met het water en al het groen er om heen. De natuur is zo mooi, dat ik automatisch een melancholie voel voor de dood, hierin zal ik oplossen, zeg ik tegen mezelf. En dat is helemaal niet erg.

“Ben je dan helemaal niet bang voor de dood?”, vraagt ze verbaasd. “Nee, zeg ik, de natuur is mijn eindbestemming. Dat is alleen maar mooi!”

Door de week ging ik vaak alleen naar de plek waar we in de weekenden picknickten. Een jaar of vijf, zes was ik. Ik had geen vrienden. Iets als creche of peuterschool of kleuterschool bestond niet. De schoot van van mijn moeder was mijn school en haar twee armen waren mijn vrienden. Zij vertelde mij het verhaal van het kind en de engel. Wanneer een baby ter wereld komt vraagt hij: “lieve God ga ik nu echt de wereld van het licht in?”. “Ja”: zegt God. Terwijl de moeder aan het persen is vraagt de baby: “Maar wie gaat mij leren eten?“ “Geen zorgen, daar heb ik een engel voor.” Hij is er bijna uit en vraagt: “Maar wie zorgt dat ik kan praten?” “Geen zorg daar heb ik een engel voor” Nog heel even...”En wie zorgt dat ik kan lopen?” “Geen zorg daar heb ik een engel voor” En net voordat zijn hoofd eruit komt zegt de baby: “hoe heet die engel dan?” God antwoordt: “Mama”. En de baby begint te huilen..”wat als ik pech heb???”

Ik had geluk. Ik kreeg heel veel liefde van mijn moeder. Zoveel dat mijn hele bestaan uit liefde bestaat, ik weiger te haten, als ik iemand echt wil haten, probeer ik medelijden te voelen voor diegene, want van medelijden komt sympathie en van sympathie komt liefde. Het verschil tussen mensen in de wereld is niet arm en rijk, gelovigen en atheisten, zwart of wit, het enige grote verschil tussen mensen is, diegenen die weten wat liefdesgenot is en degenen die dat niet weten. Daar selecteer ik mensen in. Mensen die de liefde kunnen, durven te voelen en laten voelen en mensen die dat niet durven uit angst om gekwetst te worden of omdat ze verbitterd zijn in hun ongenoegen voor het leven en levenden.

We hebben allen dezelfde komaf..moeders buik. We hebben allen dezelfde eindbestemming..als lijk of als as in de aarde. En tussen de aankomst en vertrek is het zoeken daar, naar de ontdekking van de liefde voor elkaar en voor de natuur en de omgeving en alles wat daarin leeft.

Is het kunnen absorberen en uiten van liefde, cultuurgebonden? Stadsgebonden? Natuurgebonden? De plek waar je geboren bent? Familie? Werk? Scholing? Klimaat? Rijkdom? Armoe? Wat is het? Misschien ligt het wel aan de engel die je bij je geboorte toegediend krijgt...

‘Een boom zonder wortels is geen boom, sterker nog.. hij kan niets eens groeien zonder zijn wortels. Kijk naar de natuur, zei mijn moeder altijd. De natuur geeft altijd antwoord op alle vragen. Vier seizoenen? Dat is het antwoord. Dat alles zijn tijd heeft en dat we daarom moeten wachten op zoveel, verlangen wordt bemind door tijd, verlangen is het wachten op het moment om je verlangen te vervullen, daarom is het zo mooi. Daarom, genieten we van lente omdat we de hele winter erop hebben gewacht. Liefde? Kijk hoe de hond het oor van het andere hond likt, of hoe de boom zijn vrucht koestert en vasthoudt en laat bloeien.

Mijn moeder haalde al haar wijsheden uit de natuur. Alleen daarom was het al een mooie plaatsje, Kirsehir dat geen echte identiteit had. Het betekent letterlijk; ‘De groene stad’.

‘Vergeet nooit waar je vandaan komt. Dat is heel belangrijk. Dat zijn je wortels, en alle steden en landen die je zult bezoeken en ontdekken en misschien verblijft om te leven, zullen je takken zijn, maar je wortels is waar je geboren bent’.

Hoe kon ik het ooit vergeten? Het was in mijn hersenen gegriefd en het zou nooit meer eruit komen ontdekte ik later.

Onze buren waren hecht. Iedereen hield van dit plaatsje. Zaterdagen waren dagen dat ieder zijn huis schoonmaakte, en als ze eerder klaar waren gingen ze naar elkaar toe. De straten veegden en wasten ze samen. We hadden zelfs een buren tikkertje dag. Iets absurds. Maar het zorgde voor de ontdekking van elkaar, en samen lachen schepte harmonie. En dat was er. De bakker, slager iedereen kende elkaar. Onze bakker was geboren in Capadokya en verhuisde naar Kirsehir omdat zijn vrouw bij haar ouders hier wilde blijven.

“We zijn er bijna”, zegt Ida. En nu vijftien later, keerde ik terug naar huis. Terug naar huis. Naar huis. Terug. Een huis dat een thuis is, is een rijkdom. Een thuis waar liefde is, is een zegen. Dan wil je ook wel terug. Naar dat huis, wat thuis is.

“Ben je nerveus?” vraagt ze. “Nee, niet nerveus, het voelt als een ontdekking van het moment”. Mijn geboortestad heeft geleefd in mijn hart en hoofd, ik natuurlijk allang niet meer voor de stad. “Ik ga jou het huis laten zien waarin ik geboren ben, en ben benieuwd of het nog steeds hetzelfde eruit ziet zoals ik het me herinner”. We reden door een smalle straat waar geen boom te bekennen was. “Wat raar”, zeg ik, “het was hier destijds heel erg groen”. Eigenlijk is het niet zo raar want in Turkije is bouwen een soort statussymbool, een teken van welvaart. De straat was nu grijs van beton. Hier moet het zijn. We stapten uit de bus. En zochten naar de straat en het nummer van het huis. Maar het huis is er niet meer. Er stond een groot flatgebouw. Ooit was het een huisje met drie kamers en een tuin erom heen. De stad/dorp die ooit groen was, was nu grijs van beton. Het huis vol nostalgie was vervangen door een flatgebouw, de fruitbomen van mijn moeder waren verdwenen. Op de achterkant van het flatgebouw stonden drie bomen; een laurier, populier en, ach..dit is mooi, een appelboom. Maar hij was best groot. Zou dit de boom van mijn moeder kunnen zijn? Het moet wel, zo groot. Deze boom is de enige levende van toen. Als de boom kon praten, kon hij mijn verdriet delen.

Net toen ik wilde gaan zag ik aan de buik van de boom heel vaag een woord: ‘ooit......